In een huis vol kleinkinderen zoeken we de rust op van de werkkamer van René. Waar we belanden, kun je beter een archief of een museum noemen. Een wand volgestouwd met boeken, vitrinekasten vol met miniaturen, kaarten, borden en vlaggen. Waar ben ik terechtgekomen?

Voor veel zaken zijn we verder op Deventer gericht, maar ik voel mij Diepenvener

Wie is René Groenwold?
René François Groenwold is een 62-jarige gelukkige man. Ik woon al sinds mijn twaalfde in Diepenveen. Ik ben in Rotterdam in Hoogvliet geboren en op mijn zesde met mijn ouders vertrokken naar Deventer. Als kind heb ik het verhuizen van Rotterdam naar hier niet als een schok ervaren. Ik kon snel wennen.  Mijn ouders konden wat later van de Deventer Kring van Werkgevers een woning huren aan de Lichtenbergerlaan. Wij keken toen nog vrij uit over het land. Diepenveen was nog echt een dorp met heel veel winkels en ik heb mijn trouwfeest nog gegeven in restaurant Niemeijer, op de plek waar nu Cheers zit. Ja, ik ben in Deventer op het stadhuis getrouwd met mijn vrouw Harriët uit Deventer. Zij doet gastouderopvang aan huis. Dus we hebben altijd kinderen om ons heen. Ik spring wel eens bij, maar verder is dat haar ding. Ik heb zo mijn eigen werk.

Al vroeg begonnen te werken?
Op mijn vijftiende ben ik al aan het werk gegaan bij Kaashandel Roorda. Ik was hun eerste personeelslid. We gingen de markten af en ’s woensdags ventten we hier in het dorp. Ik heb altijd in de verkoop gezeten. Na wat avondstudies ben ik in 1980 als zelfstandige een shop in een shop in Borne begonnen. Later had ik op Keizerslanden een winkel in kaas en delicatessen, gecombineerd met een Jamin. In 1996 ben ik als routeverkoper in diepvriesproducten begonnen. Voor particulieren en bedrijven en dat doe ik nog steeds. Ambulant, dus altijd onderweg. Mijn rayon is grofweg tot Ede, Barneveld en ik heb een vaste route. Vrijdags ben ik vrij.

Heb je daarnaast nog tijd voor hobby’s?
Ja, maar ik vind het bij mij meer een passie: de Eerste Wereldoorlog. Mijn vader inspireerde mij destijds. Waarom deze passie? Omdat het een heel andere manier van oorlogsvoering werd. Dat raakte mij. Men kreeg te maken met tanks, vliegtuigen, machinegeweren, gifgas en dergelijke. Daarvoor was het een strijd van man tegen man. Toen werd het grootschaliger, denk alleen al aan de inzet van langeafstandskanonnen, gruwelijker en bloederiger. Door verouderende tactieken werden miljoenen mensen opgeofferd, die zinloosheid van een dergelijke oorlogsvoering. Men moest bijvoorbeeld op een heuvel een stelling innemen, ongedekt, in rijen naast elkaar. Het werd ook een loopgravenoorlog omdat de legers vastliepen en men zich toen ingroef. Kenmerkend is verder dat een leven echt niet telde. Het imago van de grote heren, de generaals, was belangrijker. Men wilde een bepaalde slag winnen, ongeacht het aantal doden. Bij de slag om de Somme (juni- november 1916) bijvoorbeeld, zijn op de eerste dag twintigduizend doden gevallen en bijna veertigduizend gewonden! In totaal zijn er in de Eerste Wereldoorlog tien miljoen doden gevallen, burgers en militairen. Van de Tweede Wereldoorlog is veel meer bekend dan van de Eerste Wereldoorlog, dat maakte mij ook nieuwsgierig. Als Nederland waren we toen neutraal en Duitsland wilde Nederland te vriend houden voor de aan- en afvoer via onze havens, maar de Engelsen blokkeerden deze. Nederland heeft in die oorlog wel één miljoen Belgen opgevangen.

Wat doe je verder met deze verzameling en schat aan informatie?
Bij gebrek aan tijd doe ik hier niet zo veel mee. Ik denk er wel over om na mijn pensionering een soort gidsreizen te organiseren. Of misschien wat te maken voor lessen op school. Mensen mogen mij trouwens altijd aanspreken op deze passie.

Ik begrijp dat je nu wat gaat doen op je fiets?
We gaan elk jaar een week met de auto naar het gebied, ik ben er al meer dan 45 keer geweest. Naar begraafplaatsen en plekken van oorlogsvoering, wat we vastleggen. Dit jaar ga ik echter de frontlinie van Nieuwpoort (B) naar Bazel fietsen. Er is een boekje met deze fietstocht. Ik doe dit op de fiets om te ervaren welke afstand de soldaten moesten lopen met dertig kilo bepakking, 1.100 kilometer. Ik wil ook een beetje afzien. Ik vertrek op 9 juli en hoop rond 20 juli in Bazel te zijn. Daar wacht mijn vrouw me op en mijn oudste zoon fietst de laatste etappe mee. Naast het fietsen heb ik overdag de tijd om plekken te bezoeken. Ik verwacht wel in België contacten te leggen met bijvoorbeeld Amerikanen en Engelsen die ook nog veel belangstelling tonen voor deze oorlog. Ik fiets met een normale, dertig jaar oude opgeknapte trekkingbike en ik ben nu druk aan het trainen. Misschien houd ik wel een blog bij en wellicht ga ik nog sponsoring aan deze tocht verbinden. Voor de New Wings Foundation, zij helpen om kinderen na een transplantatie weer op de been te krijgen. Mijn oudste kleindochter heeft nu twee jaar donorlongen en het lijkt me zinvol om deze organisatie te steunen. Een volgende uitdaging is misschien het fietsen van de Dodendraadroute. De Duitsers hebben destijds een stroomdraad gespannen aan de grens tussen België en Nederland, daardoor zijn veel mensen gesneuveld. Hier ligt een fietsroute langs.

Je hebt heel veel verzameld, wat is je interessantste voorwerp?
Het meest creatieve is eigenlijk dat kruis aan de wand. Ik heb dat samen met mijn buurman in elkaar gezet. Het is een ‘varkensstaart’, neergezet als afscheiding bij een loopgraaf om de vijand tegen te houden. Met origineel draad, gemaakt door Nokia. Zij leverden destijds aan veel landen.

Heb je nog meer hobby’s?
Eigenlijk zijn mijn kleinkinderen ook een hobby en ik ga met zoon Wiebe regelmatig naar de wedstrijden van Go Ahead Eagles. Ook speel ik al veertig jaar gitaar en heb ik veel gospelgroepen begeleid.

Hoe kijk je aan tegen de ontwikkeling van Diepenveen aan?
Diepenveen is wel altijd Diepenveen gebleven. Het dorpse blijft bestaan. Destijds waren we boos omdat we werden ingelijfd door Deventer. Die boosheid is geluwd. Het mooiste vind ik altijd dat je vanaf elke kant via het groen het dorp inrijdt. Voor veel zaken zijn we verder op Deventer gericht, maar ik voel mij Diepenvener.

 

Interview en foto’s: Jaco Remmelink